Uit Handreiking In dienst van de toekomst over de noodzaak van transformatiegericht beleid, Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI), 2025
Wie de geschiedenis van innovatie bekijkt, ziet een merkwaardig patroon. Eeuwenlang was het een woord dat je beter kon vermijden. Toen gold innovatie, in de vorm van reformatie, als iets gevaarlijks — een bedreiging van de gevestigde orde. Vandaag is het precies andersom: innovatie is een geuzenwoord. Elk ministerie, uitvoeringsorgaan en gemeente wil ‘meer innoveren’. En toch verandert er vaak zo weinig echt. Dat komt niet doordat we te weinig ideeën hebben of de noodzaak niet zien, maar omdat we te weinig systematisch leren.
Innovatie is de creatie van iets dat nieuwe waarde geeft. Maar die waarde ontstaat pas als de innovatie landt in de kern van het werk. Dus: in hoe we beleid maken, uitvoeren, samenwerken en verantwoorden. En daar stokt het vaak.
We doen wel aan innovatie, maar we zijn nog geen lerende organisaties. De reflex van de overheid is nog steeds gericht op stabiliteit, beheersing en voorspelbaarheid. Begrijpelijk, maar funest voor echte vernieuwing. De uitdaging is dus niet om méér te innoveren, maar om beter te leren.
De overheid als lerende actor
De Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI) spreekt in haar handreiking In dienst van de toekomst over de noodzaak van transformatiegericht beleid — beleid dat niet langer alleen bijstuurt, maar actief leert, samenwerkt en bijdraagt aan fundamentele veranderingen in systemen zoals energie, zorg, mobiliteit en voedsel.
De raad stelt dat overheden die transformaties willen versnellen, niet kunnen volstaan met experimenten of tijdelijke innovatieprogramma’s. Ze moeten hun eigen organisatie leren om te leren: beleid ontwikkelen met de samenleving, kennisinstellingen en marktpartijen, en fouten zien als feedback in plaats van falen. Het vraagt dus om een overheid die niet alleen vernieuwt, maar transformeert.
Richting geven en ruimte maken
Die gedachte zie je terug in recente beleidsprogramma’s. Het 3%-R&D-Actieplan (juli 2025) onderstreept dat innovatie niet iets is wat vanzelf gebeurt. Het vraagt om structurele investeringen in onderzoek, kennisdeling en publiek-private samenwerking. Met negen concrete maatregelen wil het kabinet het innovatievermogen van Nederland versterken en de brug slaan tussen onderzoek, beleid en praktijk.
Het Nieuw Industriebeleid 2026 bouwt daarop voort. Nederland kiest daarin bewust voor focus: zes domeinen waarin innovatie cruciaal is voor onze toekomst, van duurzame energie tot digitale technologie. Het laat zien dat de overheid niet alleen wil stimuleren, maar ook durft te kiezen: een noodzakelijke stap in het ontwikkelen van richtinggevend vermogen.
En dichter bij huis, binnen de publieke sector zelf, is er het Nationaal Programma voor Toekomstbestendige Publieke Sectoren (juni 2025). Dit programma, opgezet door BZK en de SER, met publicaties bekend onder de naam 'Staat van Uitvoering', benadrukt dat innovatie niet losstaat van uitvoeringskracht. Het pleit voor meer adaptief leiderschap, een lerende bestuurscultuur en betere samenwerking tussen beleid en uitvoering.
Samen schetsen deze initiatieven een overheid die haar rol in innovatie opnieuw uitvindt: niet als regisseur op afstand, maar als deelnemer in een collectief leerproces.
Jouw rol als innovator
Tegen deze achtergrond krijgt jouw individuele rol een nieuwe betekenis. Systematisch innoveren begint bij het individu, maar bloeit pas op in een collectieve context. Dat betekent dat jouw bijdrage verder moet gaan dan een goed idee of project. Het moet gaan om het versterken van de leer- en veranderkracht van je organisatie. Bijvoorbeeld door:
- Reflectie structureel te maken. Niet alleen na afloop van een pilot, maar als vast onderdeel van beleidscycli;
- Verbinding te zoeken met beleid, wetenschap en uitvoering. Innovatie verliest betekenis als ze in haar eigen bubbel blijft hangen;
- Het ongemak van verandering te delen. Door niet alleen successen, maar ook fricties bespreekbaar te maken;
- Ruimte te creëren voor gezamenlijk leren, want zonder gedeeld eigenaarschap is er geen duurzame vernieuwing.
Dat vraagt moed, maar vooral vakmanschap. Want innoveren binnen de overheid is niet het creëren van instabiliteit: het is moderniseren van de bestaande stabiliteit.
Van individuele vernieuwer naar collectieve kracht
De kernboodschap van de AWTI is dat innovatiebeleid niet langer kan draaien om losse projecten, maar om het opbouwen van vermogens: richtinggevend, adaptief, lerend en verbindend. En precies dat geldt ook op organisatieniveau.
De transities waarvoor we staan — zoals klimaat, zorg, energie, digitalisering — zijn te groot voor enkelingen. Maar ze beginnen wel bij enkelingen die zich niet neerleggen bij de status quo. Innoveren als collectieve kracht betekent: individueel handelen met systeemimpact. Het is de omslag van het innovatieve project naar het lerende systeem. En dat is misschien wel de grootste vernieuwing van allemaal.
Reflectievragen
- Hoe wordt in jouw organisatie het leren uit innovatieprojecten structureel vastgehouden of gedeeld?
- Welke rol speel jij zelf in het versterken van die lerende cultuur?
- Hoe kun je de verbinding leggen tussen je eigen werk en de bredere transformatieve doelen van jouw organisatie?
- Wat kun je leren van de manier waarop nationaal beleid (zoals het R&D-Actieplan of het Industriebeleid) richting en focus aanbrengt?
- Welke voorwaarden zijn nodig om jouw organisatie, en de overheid als geheel, echt systematisch te laten leren?