Afgelopen week sloten 35 deelnemers de opleiding Innovatiemanagement voor Overheidsprofessionals af bij Rijksorganisatie ODI. Een mooi resultaat en de community opgeleide deelnemers groeit nu richting de 200 collega’s. De eindopdrachten werden gepresenteerd op een levendige informatiemarkt: post-its, posters, spelkaarten, rollenspellen — de energie spatte eraf. Wat mij vooral opviel, was hoe vaak spelelementen werden ingezet om een ingewikkeld onderwerp als innovatiemanagement bespreekbaar te maken. Een groep had zelfs een kaartspel ontwikkeld waarmee teams het gesprek over vernieuwing op gang kunnen brengen. En het werkte: iedereen deed mee, er werd gelachen, en er ontstond een inhoudelijk gesprek.
Maar eerlijk gezegd is dat precies het symptoom van een groot probleem. We gebruiken spelvormen om een serieus onderwerp mogelijk te maken, omdat er in de dagelijkse praktijk nauwelijks tijd en ruimte is om er met echte aandacht over te praten. Druk, druk, druk. Alles moet tussen de vergaderingen door, in de marge van de dag. En zo blijft innovatie iets wat we ‘erbij doen’, in plaats van iets wat we gewoonweg zouden moeten doen als primaire taak.
Een collega vertelde me onlangs dat hij na een zondagochtendwandeling nog even aan dat ene belangrijke document wilde werken en uiteindelijk tot twee uur ’s nachts is doorgegaan. Hij zei het ook wel met enige trots. Natuurlijk: het getuigt immers van toewijding. Maar in mijn ogen laat het zien hoe scheef het is: dat de tijd voor wat echt belangrijk is, buiten werktijd gezocht moet worden. We weten allang dat wandelen, reflecteren en denken juist onderdeel moeten zijn van ons werk. En dus vooral tijdens werktijd zouden moeten plaatsvinden. Toch is ons systeem er niet op ingericht. In de gemiddelde overheidsagenda is geen ruimte om stil te staan om te reflecteren. Laat staan om te vernieuwen.
De Innovatiebarometer Overheid van dit jaar concludeert: het ontbreekt vaak niet aan ideeën, maar aan ruimte om ermee aan de slag te gaan. Ook de WRR wijst er in haar advies Grip op de toekomst op dat een overheid die wil vernieuwen, tijd en menskracht moet reserveren voor leren en experimenteren. En het AWTI benadrukt in haar rapport Kennis en innovatie in de publieke sector dat innovatie structureel verankerd moet worden, in plaats van incidenteel gestimuleerd. Met andere woorden: we weten het al jaren, maar we kiezen ervoor geen gebruik te maken van deze adviezen.
Ik denk dat het daar precies om draait: keuzes maken.
Niet nog een beleidsnotitie over innovatie, maar simpelweg iets als een overlegvrije week per maand. Net als de autoloze zondagen van vroeger — even de rust terugbrengen om te zien wat er echt toe doet. De mailbox blijft staan, de wereld vergaat niet, maar de energie en ideeën die loskomen zijn goud waard. Stel je voor dat je één week per maand niet hoeft te vergaderen, rapporteren of mailen, maar mag nadenken, verbeteren, bouwen. Wat zou er gebeuren?
Vernieuwing vraagt geen spelletje, maar tijd. En tijd krijg je niet, die moet je organiseren.
Daar ligt onze opdracht: niet harder werken, maar slimmer kiezen. Minder vergaderen, meer betekenis. Minder drukte, meer aandacht. Alleen dan kan het vuur van innovatie dat ik afgelopen week bij de deelnemers zag, blijven branden in de dagelijkse praktijk.
Reflectieve vragen
- Wanneer heb jij voor het laatst binnen werktijd de ruimte genomen om ergens echt over na te denken?
- Wat zou er gebeuren als jouw team één overlegvrije week per maand invoert?
- Welke spelvormen of creatieve werkvormen gebruik jij nu en wat zeggen die over de ruimte voor échte aandacht in je organisatie?
- Hoe kun je de energie van leren en spelen vertalen naar structurele vernieuwing in je werkweek?
- Welke kleine keuze kun jij deze maand maken om innovatie niet langer ‘erbij’, maar echt onderdeel van het werk te maken?