Er zijn van die verhalen uit de sportwereld die veel beter passen bij de overheid dan je op het eerste gezicht zou denken. Neem Gian van Veen, de jonge darter die inmiddels tot de top van Nederland behoort. Zijn doorbraak kwam niet doordat hij nóg meer techniek leerde, maar doordat hij iets overwon waar darters liever niet over praten: darteritus. Je hebt tienduizenden worpen gedaan, alles zit in je hersenpan, je bewegingen zijn volledig onder controle en piekfijn ingesleten. En ineens werkt het niet meer. De routine blokkeert. De vanzelfsprekendheid verdwijnt. De oplossing? Gooi met iets anders. Met een pen, een stift, een eetstokje. Desnoods een bowlingbal. Door even uit het patroon te stappen hervindt het lichaam hoe het wel moet.

Als ik naar onze mooie overheid kijk, denk ik soms: een beetje darteritus zou ons geen kwaad doen.

We zijn ongelooflijk goed in routines. Overlegvormen die al jarenlang hetzelfde zijn, interventies die ieder jaar met frisse termen terugkeren, stappenplannen die veilig voelen omdat ze voorspelbaar zijn. Maar voorspelbaarheid is niet hetzelfde als effectiviteit. We blijven burgerparticipatie-trajecten doen alsof de samenleving niet fundamenteel veranderd is. We puzzelen op wetgeving tot elke uitzondering een eigen uitzondering krijgt. We schuiven duurzaamheidsdoelen door omdat de actielijnen van vorig jaar nu eenmaal de actielijnen van dit jaar lijken te moeten worden. Het zijn patronen die zo ingesleten zijn dat we het bijna niet meer zien.

Binnen de opleiding Innovatiemanagement voor Overheidsprofessionals waarschuwen we hier al jaren voor: de grootste risico’s voor de overheid zitten niet in experimenteren, maar in vasthouden aan wat niet meer werkt. Toch zie ik in veel organisaties een reflex die ik maar ‘ambtelijk muscle memory’ noem. Het doet wat het altijd deed. Maar helaas niet met dezelfde uitkomst. De context waarbinnen het resultaat geboekt moet worden verandert namelijk razendsnel.

Daarom vind ik de metafoor van darteritus zo waardevol. Niet omdat we moeten wachten tot het misgaat, maar omdat de sport iets laat zien wat in organisaties zelden wordt geoefend: bewust het patroon doorbreken. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Stel je eens voor dat we dat principe toepassen op onze eigen praktijk. Een toeslagenproces dat niet begint met controleren maar met vertrouwen – en daarna met slimme controles achteraf. Een beleidsdossier waar we de experimenteerruimte niet zien als uitzondering maar als standaard startpunt. We gaan gewoon starten en onderweg aanpassen. Een team waar een vertrekkende collega niet automatisch leidt tot het uitzetten van een vacature, maar tot de vraag hoe we dat vrijgevallen budget kunnen investeren in een AI-agent die het hele team ondersteunt. Niet als vervanger, maar als versterker. De eerste organisaties die dit durven, merken al wat het oplevert: minder werkdruk, betere analyses, snellere scenarioverkenning en – misschien wel het belangrijkste – een team dat leert werken met technologie die de komende jaren de norm wordt.

In mijn werk zie ik keer op keer hetzelfde gebeuren: als een routine doorbroken wordt, komt er ruimte vrij voor scherpte. Teams zien ineens waar aannames zitten, waar frictie zit, waar het eigenlijk al jaren schuurt maar nooit benoemd werd. Daar begint innovatie. Niet bij een brainstorm, maar bij het moment waarop je bereid bent je eigen vanzelfsprekendheid te kantelen.

Innovatie begint niet bij lef, niet bij technologie, niet bij beleid. Het begint bij het vermogen om even niet te kunnen wat je altijd kon. Om jezelf te dwingen naar een andere worp, een onverwachte beweging, een nieuwe vraag. Want pas dan zie je weer wat er werkelijk mogelijk is.

En misschien is dit wel de mooiste parallel met de dartsport: routine brengt je ver, maar vernieuwing brengt je verder. Veel ambtenaritus toegewenst in 2026!

Reflectievragen

  1. Waar in mijn organisatie zie ik patronen die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat niemand ze nog ter discussie stelt?
  2. Op welk dossier zou een gecontroleerde ‘afwijkende worp’ – een experiment – meer opleveren dan het perfectioneren van bestaande werkwijzen?
  3. Welke functies, processen of taken zouden versterkt kunnen worden door technologie in plaats van door het invullen van dezelfde rol?
  4. Waar ervaar ik zelf ‘ambtelijk muscle memory’, en wat zou er gebeuren als ik dat patroon bewust doorbrak?
  5. Welke stakeholders zouden verrast worden – in positieve zin – als we een proces radicaal eenvoudiger, menselijker of experimenteler zouden vormgeven?

Reageren kan op RIConline